Hoe werken die ijshuizen? In de tijd van het kleine huis op de prairie?

Ze zaten onder de grond maar is dat koud genoeg, ging het ijs dan niet met de tijd smelten?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Een ijskelder is een losstaande kelder, meestal tonvormig, van vrij grote diepte (5 meter is niet vreemd), waarin gedurende de winter, grote (1 m × 20 cm × 20 cm) stukken ijs van een (nabijgelegen) plas of sloot opgeslagen worden en met hooi afgedekt (ter isolatie). Omwille van de diepte is deze ruimte goed geïsoleerd. Omdat koude daalt, is het mogelijk deze ruimte voldoende koel te houden om – indien er voldoende ijs opgeslagen ligt – het jaar door een hoeveelheid ijs te behouden. In warmere periodes was het dan mogelijk uit deze kelders ijs op te halen en te gebruiken in een ijskast. Tegenwoordig worden ijskelders vaak als overwinteringsplaats gebruikt door vleermuizen, die er hun winterslaap houden .

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/IJskelder

In de winter werd ijs opgeslagen onder de grond. Goed geisoleerd met bijv stro. Daardoor smolt het ijs slechts langzaam en kon het nog maanden lang gebruikt worden voor koeling.

Een ijshuis is een ruimte onder, maar ook boven de grond soms die gebouwd was met dubbele muren, waartussen in stro of zaagsel werd gedaan ter isolatie. Brokken ijs werden daar in gedaan voor de koeling, wat vaak ook van ver weg kwam. Vaak smolt al het ijs tijdens een warme zomer, en liep de temperatuur alsnog op, waardoor men alsnog alles kon weggooien. Gelukkig hebben we nu koelkasten en diepvriezers.

Onder de grond is het een graag of tien. Ik ben in Duitsland ook wel eens een grote spleet in aarde tegengekomen die zich in de winter vulde met sneeuw en die de hele zomer bleef liggen. Dit was zelfs zonder isolatie.

IJskelders zijn in allemaal materialen en vormen gebouwd; van kuilen in de grond met hout bekleed, bouwwerkjes van hout of baksteen met rieten daken tot zeer geavanceerde ondergrondse kelders, waar zelfs ander voedsel in bewaard kon worden. De meest overgebleven soort is van baksteen met een koepel- of tongewelf. Het gewelf is ter isolatie afgedekt met aarde. Schaduwrijke bomen zijn erop of omheen geplant. De bakstenen muren zijn dik en eventuele spouwruimtes kunnen geïsoleerd zijn door turf. Via de ingang, aan de noordzijde gelegen, leidt een korte gang naar een deur die toegang geeft tot het gewelfde gedeelte. De deuren werken als een sluis om zoveel mogelijk de warmere buitenlucht buiten te sluiten. Kleine nisjes in de muren zijn mogelijk uitgespaard om verlichting in te kunnen plaatsen. Op de bodem liggen houten vlonders vanwege het smeltwater. Het smeltwater wordt via goten afgevoerd of verdwijnt direct in de grond, bijvoorbeeld in de zandlaag. Belangrijk voor een goede ijskelder is ook de afvoer van vochtige lucht via ventilatiegaten. Behalve de rijken hadden vishandelaren en bakkers ook vaak gebouwtjes om ijs te bewaren. De bakkers hadden ijs nodig voor de koeling van roomijs en de vishandelaren vervoerden de vis tussen ijs. Voor de vishandelaren werden er in de 19de en 20ste eeuw ijspakhuisjes gebouwd. Deze gebouwen hadden dubbele of driedubbele muren, waarvan de tussenruimtes geïsoleerd waren met turfmolm. Ook werden er reeds bestaande gebouwen gebruikt om als ijskelder dienst te doen, bijvoorbeeld verdedigingsbouwwerken zoals bastions.

Bronnen:
http://www.cultuurwijzer.nl/cultuurwijzer....