Hoe si het woord zwanger ontstaan?ik weet de betekenis,maar met het woord heb ik geen feeling

niemand heeft dat wwoord tot nu toe voor mij kunnen ontleden.

Weet jij het antwoord?

/2500

M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands zwanger bn. ‘een kind dragend’ Mnl. swanger ‘vervuld zijn met’ in Der goeder maren wart hi zwangher ‘hij was vervuld van het goede bericht’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. swanger maken ‘zwanger maken’ [1573; Thes.]. Mnd. swanger ‘zwanger’; ohd. swangar ‘zwanger, drachtig’ (nhd. schwanger); oe. swongor ‘log, traag’; < pgm. *swangra- ‘zwaar, zwaarlijvig’. Wrsch. verwant met Litouws sunkùs ‘zwaar’ en suñkti ‘zwaar worden’, Oudlitouws sunkinga ‘zwanger’; < pie. *s(u)enk- (IEW 1048). Wrsch. is er geen verband met on. svangr ‘dun, slank; hongerig’, dat eerder behoort bij de wortel van pgm. *swingan- ‘heen en weer bewegen’ > ‘buigzaam zijn’, zie → zwang. De huidige betekenis ‘een kind dragend’, dat door Kiliaan nog Duits, Saksisch, Rijnlands genoemd werd en pas in de 17e eeuw gebruikelijk. Mogelijk is deze betekenis overgenomen uit het Duits. In het Middelnederlands werd het begrip ‘zwanger’ uitgedrukt door groot (van kinde) of swaer (met kinde). G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch (incl. Supplement uit 2007) swanger b.nw. 1. (t.o.v. 'n vrou) Bevrug, verwagtend. 2. (fig.) Vol verwagting. Uit Ndl. zwanger (1557 in bet. 1, 1627 in bet. 2). Ndl. zwanger gaan met Middelnederduits swanger 'swaar in die beweeg', Oudhoogduits swangar (8ste eeu), Nieuhoogduits schwanger en Oudengels swangor 'swaar, plomp' terug op 'n W.Germ. grondvorm *swangra- 'log, swaar'.

Bronnen:
http://etymologiebank.nl/trefwoord/zwanger

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100