Duits grammatic

Kan iemand mij de 1ste en de 4de naamval willen uitleggen? Want ik snap er geen bal van en heb morgen een proefwerk er over. Ik heb al op wikipedia enzo gekeken maar snap er nog steeds niks van

Toegevoegd na 2 minuten:
ik zit in 2 vmbo-t

Weet jij het antwoord?

/2500

wanneer 1e naamval: bij onderwerp ; naamwoordelijk deel (sein,werden,bleiben). wanneer 4e naamval: Bij lijdend voorwerp, Na voorzetsels durch, für, ohne, um, bis, gegen, entlang Bij tijdsbepalingen zonder voorzetsel. keuzevoorzetsels: 3e of 4e naamval: an, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor, zwischen. Regel 1: kijk naar het werkwoord---plaatsbepaling?: zich ergens bevinden: Dativ (3e naamval) ergens naar toe: Akkusativ (4e naamval) Geen plaatsbepaling?--- dan, auf en über met Akkusativ en de anderen met Dativ. Ik hoop dat je hier wat aan hebt! Anders zie ik het wel!

Bronnen:
stencil van leraar Duits

1e naamval: Als je het woord door 'hij' kan vervangen, wat dus het onderwerp is. Voorbeeld: Dieser Mann arbeitet in Amsterdam. (Deze man werkt in Amsterdam) Dan kun je 'dieser Mann' kun je vervangen door 'hij'. Dan krijg je: Hij werkt in Amsterdam. 4e naamval: Ook wel het lijdend voorwerp genoemd. Hierbij kun je het 'woord' door 'hem' vervangen. De vraag die je hierbij kunt stellen is: wie of wat + het gezegde (werkwoorden) + onderwerp? Voorbeeld: Ich gebe mir ein Geschenke. (Ik geef mij een cadeau) Ich = Het onderwerp. Vraag: Wie of wat geef ik? Antwoord: Een cadeau (Geschenke). Je kunt ook zeggen. Ik geef 'HEM'. Je kunt namelijk niet zeggen: Ik geef 'HIJ'. Dat is geen Nederlands. Dan is het de 4e naamval. Dus: Als je het woord door 'hem' kunt vervangen. Je past dus de 'hij/hem-regel' toe. Stap 1: Je kijkt naar het woord waar je de naamvallen moet toepassen. Stap 2: Je past de hij/hem-regel toe. Kun je het woord vervangen door hij of door hem? Stap 3: Als je het woord door 'HIJ' kunt vervangen krijg je de 1e naamval. Als je het woord door 'HEM' kunt vervangen, krijg je de 4e naamval. Stap 4: Je kijkt naar de 'uitgangen': Welke letters er achter moeten komen, bijv. -e, -er etc. Als je het nog niet begrijpt, stuur je maar een berichtje. Succes ermee!

1e naamval: onderwerp van de zin , 3e naamval : na voorzetsel , 4e naamval: lijdendvoorwerp in de zin. Hier het rijdje lidwoorden van mannelijk- vrouwelijk - onzijdig- meervoud en dan van 1e naar 3e naar 4e: der. Die. Das. Die (1e), dem. Der. Dem. Den (3e) , den. Die. Das. Die (4e) en bij het lidwoord een; ein. Eine. Ein. Keine. (1e) einem. Einer. Einem. Einen (3e) einen. Eine. Ein. Eine (4e) Ik hoop dat je het een beetje snapt

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100