Wat veroorzaakt het structuurverschil tussen witte suiker en druivensuiker?

Een klontje witte suiker (een gewoon suikerklontje dus) is duidelijk korrelig. Als je het een beetje in je mond laat oplossen, kun je erop bijten en voel je duidelijk de korreltjes, die "knisperen" tussen je tanden.

Een klontje druivensuiker (een tabletje dus) is eerder poederig te noemen. Als je het een beetje in je mond laat oplossen, kun je erop bijten en ontstaat een soort fijn stof.

Is dit verschil tussen witte suiker en druivensuiker een eigenschap van de stof, of wordt het verschil veroorzaakt door de bereidingswijze?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

In feite wordt het verschil veroorzaakt door de molecuul opbouw. Witte suiker (beter is tafelsuiker of kristalsuiker) wordt gemaakt van suikerbieten, suikerriet of suikerpalm door middel van een raffinageproces. Bij dat proces wordt de suiker uit de plant opgelost in heet water, en door middel van herkristallisatie en filtratie gezuiverd. De molecuul bestaat uit een aantal C-atomen met meerdere hydroxylgroepen(-OH) welke zich in een ringstructuur bevindt. Dit geeft uiteindelijk de kristalstructuur van de tafelsuiker. De suiker kan men fijner maken door het te malen. Voegt men aan dit maalsel stroop achtige stoffen toe, dan ontstaat er bruine suiker. Druivensuiker (beter is glucose) kan door hydrolyse uit zetmeel worden bereid. Door een suspensie van zetmeel met verdund zuur onder druk te verhitten ontstaat via dextrine uiteindelijk glucose. Door de vervolgprocessen als neutraliseren en indampen ontstaat uiteindelijk het fijnkorrelige glucose. De moleculen zijn n.l. opgebouwd uit de eenvoudigste koolhydraten.

Dat heeft volgens mij te maken met de chemische verbindingen van de verschillende soorten suikers. Monosachariden zijn onder andere glucose (druivensuiker), fructose (fruitsuiker), mannose, galactose, xylose, ribose en arabinose. Disacchariden zijn onder andere sacharose (suiker, tafelsuiker, sucrose), lactose (melksuiker), maltose (moutsuiker), lactulose en trehalose. Trisacchariden zijn onder andere raffinose (uit bonen) en lactosucrose. Tetrasacchariden komen in ons voedsel niet veel voor. Alleen stachyose in bonen is van belang. Oligosacchariden komen zowel in de natuur voor, maar worden tegenwoordig ook wel toegevoegd aan levensmiddelen als specifiek ingredient. Polysacchariden zijn het belangrijkste onderdeel van de voedingsvezels. Hieronder vallen zetmeel, cellulose, guar-gum en andere. Al deze andere suikers zijn opgebouwd uit ketens van monosacchariden. Monosacchariden kunnen bestaan uit stoffen met een keten van 2-8 eenheden, maar in de natuur en in de voeding komen meestal suikers voor met 4-6 eenheden, de zogenaamde C4-, C5- en C6-suikers (de C staat voor een koolstofatoom, C4 is dus een keten met 4 koolstofatomen). Glucose (druivensuiker) is de meest voorkomende suiker. Het is de voornaamste brandstof en energiebron voor de mens. Het is ook de bouwsteen van zetmeel, glycogeen (in onze spieren) en cellulose (uit hout). Glucose is een C6-suiker, bestaande uit een keten van 6 koolstofatomen.

Druivensuiker (glucose/C6H12O6) heeft als eigenschap dat het makkelijk op te nemen is en ook een fijne stof is. Tafelsuiker (suikerklontje/C12H22O11) kan niet zo makkelijk door het bloed opgenomen worden vanwege die korrelachtige structuur en omdat de molecuulmassa groter is en dus meer processen moet ondergaan om het af te breken. Oftewel je hebt 2 formules die wel suikers zijn, maar ze zijn verschillen qua formule en molecuulmassa en ze verschillen dus qua stofeigenschappen zoals oplosbaarheid, kookpunt, smeltpunt etc.

Twee verschillende stoffen. Twee verschillende eigenschappen.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100