Waar moet je naar kijken als je bij wiskunde iets moet bewijzen?

Ik moet over 3 dagen een wiskunde toetsmaken, maar ik heb een probleem: ik moet het hoofdstuk definities en stellingen maken. Ik moet dan bewijzen hoe groot een hoek is en hoe lang een zijde is met congruentie etc. maar ik heb het probleem dat ik nooit zie waar ik moet beginnen. Heeft iemand tips om te zien wat je nu precies moet doen om het bewijs te geven?

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

Daar had ik vorige week ook een toets over.. Ik maak altijd eerst op mijn blaadje een schets van datgene wat ik moet bewijzen. Dan schrijf ik er alle dingen bij die ik al weet en kijk ik wat ik moet weten. Als je niet meteen kunt bewijzen wat je wilt (bijv. Een hoek) kijk dan of je iets anders wél kunt bewijzen, wat je dan daarna gebruikt om datgene wat je wil te bewijzen. Ik had ook van tevoren een lijstje gemaakt van stellingen die al bewezen waren, die je dan kunt gebruiken om iets nieuws te bewijzen (die kun je tijdens je toets natuurlijk niet gebruiken, maar misschien helpt het als je het een paar keer doorleest) Ik hoop dat je er wat aan hebt, sub6!!

Een eye opener voor mij bij het hoofdstuk ´bewijzen´ was een volgende: Leer een lijst met bewijzen uit je hoofd. Met behulp van bewijs A en B kan je C bewijzen. Maar voor het zelfde geldt kan je bewijs C gebruiken in een andere som. Bedenk je dat er niet van jou gevraagd wordt ter plekke iets totaal nieuws te doen, je mag gebruik maken wat wiskundigen uit (vaak) het oude Griekenland hebben bedacht. En wat je in som 1 moet bewijzen, mag je in som 2 opeens als gereedschap gebruiken om iets anders te bewijzen. Dit vond ik wat verwarrend totdat ik het in de gaten had.

Wat echt heel erg belangrijk is om goed te weten wat er wordt gevraagd: Wordt er gevraagd dat AB = CD? Kijk dan hoe je dit kan bewijzen (redeneer dus 'andersom'!). Je weet welke stellingen je hebt gehad en welke dingen er zijn die meerdere gelijke zijdes hebben, parallellogrammen of congruente driehoeken. Dan weet je dat je 1 van die 2 dingen moet bewijzen. Je weet hoe het mogelijk is om die stellingen te bewijzen, dus je weet waar je naar moet zoeken. Het is wel belangrijk om die stellingen goed te kennen!

Bij bewijzen moet je volgende stappen altijd opschrijven 1) Te bewijzen:.(bijv. Te bewijzen: oneven getallen in het kwadraat geven oneven getallen) 2) Voorbeeld: 7^2 = 49 (! is aanwijzing èn geen bewijs!, bij meetkunde kun je deze stap vaak overslaan) 3) Bewijs: (2n + 1) = oneven, want = een axioma. (2n + 1)^2 = 4n^2 + 4n + 1 = oneven QED Pas op! met meten en berekenen kun je niets bewijzen!! Kijk of je cijfers kunt vervangen door letters. Zet je stappen onder elkaar en geef aan waarom dat zo is. (bijv. hk a = hk b, want gelijkbenige driehoek)

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100