Wat is nou precies: 'bijwoordelijke bepalingen?'

Ik zocht het op internet op, maar de uitleg die word gegeven snap ik niet echt. kan iemand me even uitleggen hoe je nou précies de bijwoordelijke bepalingen kunt vinden in een zin?

Weet jij het antwoord?

/2500

Dat zijn woorden die meer info geeft over de zin. De bekendste zijn: Waar, wanneer, wie, hoe, hoeveel? Bv: Jan moet om 9 uur op school zijn. Hier is 9 uur een BWP omdat het info geeft over wanneer. School is ook een BWP hier omdat het info geeft over waar.

Bijwoordelijke bepaling: - Een bijwoordelijke bepaling zegt iets over het gezegde. - Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als: Waarom? voorbeeld: Vanwege de vogelpest is dit gebied afgesloten. Wanneer? voorbeeld: De training begint om vijf uur. Hoelang? voorbeeld: De verlenging zal een half uur duren. Waarheen? Wij gaan naar Frankrijk dit jaar. Waarvandaan? De meeste druiven komen uit Frankrijk. Hoe? De stratenmaker heeft zijn hele leven hard gewerkt. Waarmee? De indiaan maakte met een kleed rooksignalen. Toegevoegd na 46 seconden: De opmaak is een beetje versprongen. Sorry!

Bronnen:
http://www.cambiumned.nl/bijwoordelijkbepaling.htm

Alle overige delen van de zin. Dus als je de zin in delen heb gedeeld en ze genoemd heb onder de namen: pv, ow, lv, gez, ww ect. dan blijven er woorden over die altijd het antwoord geven op de W+H-vraag : wie wat waar wanneer en hoe? En dat is de Bwb

Een bijwoordelijke bep. voegt altijd EXTRA informatie aan de zin toe. Deze extra informatie zegt iets over het gezegde. - Het geeft een reden, oorzaak, gevolg, doel of hoeveelheid aan. - Je kunt de bijwoordelijke bepaling weglaten zonder dat de zin krom wordt. - Vraag je af; waar, wanneer, waarmee, waardoor, hoe of wat. Soorten bepalingen; - plaats, - richting, - tijd, - wijze, - middel, - reden, - oorzaak, - voorwaarde. De wedstrijd wordt thuis bekeken--WAAR wordt de wedsrijd bekeken?--THUIS = de bijwoordelijke bepaling. Het boek ligt op tafel.--WAAR ligt het boek?-- OP TAFEL= de bijw. bep.van plaats Ik ga morgen naar school--WANNEER?--MORGEN= nijw. bep.van tijd Hij liep de afstand 'met 2 vingers in de neus.--HOE liep hij? -met 2 vingers in de neus=bep. van wijze. Hij kwam met de trein--WAARMEE kwam hij?--MET DE TREIN= bep. van middel. Hij ging weg omdat hij het saai vond. WAAROM ging hij weg?-- OMDAT HIJ HET SAAI VOND= bep. van reden enzovoort.

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100