Kan iemand mij het koppelwerkwoord uitleggen? Ik kom er maar niet uit.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het beste antwoord

De koppelwerkwoorden zijn: zijn,worden,blijven,blijken,schijnen,heten,dunken en voorkomen. Het verbindt 2 delen in de zin. Bijvoorbeeld ik ben groot, dan verbindt het ik met groot omdat ik iets over groot zegt. Of ik blijk onduidelijk. (hopelijk niet) maar dan wordt ik verbonden met onduidelijk, dus het verbindt het naamwoordelijk deel van het gezegde met het ow. Het is dus een koppelwerkwoord als het de 2 woorden die er naast staan met elkaar verbindt.

Koppelwerkwoorden verbinden 2 delen van een zin. Er is een leuke site met een ezelsbruggetje. http://ict4us.com/r.kuijt/koppelwerkwoorden.htm

Je hebt deze koppelwerkwoorden: Zijn, Worden , Blijven , Blijven , Lijken , Schijnen , Heten , Dunken , Voorkomen. als je die werkwoorden in een zin gebruikt bijvoorbeeld: Mijn vader is een goede slager. Dan kan je tussen 'Mijn vader' en 'een goede slager' een =-teken zetten. Het koppelwerkwoord koppelt het onderwerp met een ander deel van de zin, dat andere deel noemt men : 'Het naamwoordelijke gezegde' . Maar in deze zin: Mijn oma is in de dierentuin geweest , is niet 'is' het koppelwerkwoord maar 'geweest' . Achter een koppelwerkwoord komt nóoit maar ook echt nóóit een ander werkwoord! Er zijn een paar uitzonderingen voor koppelwerkwoorden: Schijnen betekent niet het schijnen van een lamp maar dit: Hij 'schijnt' gek te zijn. Dunken is niet het dunken bij basketbal maar heeft dezelfde betekenis als 'schijnen' . De koppelwerkwoorden 'heten/dunken/voorkomen' zijn oudere werkwoorden en worden bijna niet meer gebruikt. Ik hoop dat je hierdoor een stuk meer begrijpt van het koppelwerkwoord!

Een koppelwerkwoord verbindt twee delen van een zin. Het ene deel is een naamwoord (bijvoorbeeld: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of persoonlijk voornaamwoord) dat iets zegt over de eigenschap(pen) of toestand van het andere deel: het onderwerp van de zin. De overgebleven zinsdelen zijn bijwoordelijke bepalingen. Voorbeeld: Hij wordt nogal snel moe. Het onderwerp in deze zin is: Hij. Het gezegde van deze zin is: wordt moe. Omdat daar een bijvoeglijk naamwoord (moe) in voor komt, spreken we hier van een naamwoordelijk gezegde. Het werkwoord 'wordt' koppelt hier de eigenschap 'moe' aan het onderwerp 'hij' en is daarmee een koppelwerkwoord. De Nederlandse koppelwerkwoorden zijn: zijn (= ook een hulpwerkwoord en zelfstandig werkwoord) Voorbeeld: Hij is een vriendelijke jongen. worden (ook een hulpwerkwoord) Voorbeeld: Hij wordt timmerman. blijven (ook een hulpwerkwoord en zelfstandig werkwoord) Voorbeeld: Hij blijft altijd een vriendelijke jongen. blijken Voorbeeld: Hij blijkt zeer vriendelijk. lijken Voorbeeld: Hij lijkt me een vriendelijke jongen. schijnen (ook een zelfstandig werkwoord) Voorbeeld: Hij schijnt me nogal vriendelijk. heten Voorbeeld: Hij heet Rik. dunken Voorbeeld: Hij dunkt me een vriendelijke jongen. vóórkomen Voorbeeld: Hij komt me niet bekend voor. Uitzonderingen: Zijn Uitzondering: 'zich bevinden op een plaats.' Blijven Uitzondering: 'niet van plek veranderen.' Lijken Uitzondering: 'ik vergelijk dit met dat.' Schijnen Uitzondering: '(licht) uitstralen.' Dunken Uitzondering: 'een onderdeel van basketbal.' Voorkomen Uitzondering: 'aantreffen, tegengaan/zorgen dat iets niet gebeurt.' Uitzondering: '(voor een rechtbank) verschijnen.'

Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Koppelwerkwoord

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100