Waar komt het woord 'schuur' vandaan mbt opberghok in de tuin? Word dit in heel Nederland zo genoemd?

Ik moet nodig het dak van mijn schuur vervangen, in voorbereiding daarop kom ik nu dus vaak het woord 'schuur' tegen maar wat is hier eigenlijk de origine van? Ik weet dat ze in Vlaanderen ook vaak 'stalleke' zeggen, dat meer overeenstemt met de bedoeling van het gebouwtje, een stal, iets om in te stallen (opbergen). Maar bij schuur zie ik die overeenstemming niet meteen.

Weet jij het antwoord?

/2500

Het woord schuur is al een oud erfwoord. Het Middelnederlandse woord scure kennen we sinds 1240 uit een Limburgse tekst. Het is ongetwijfeld al Oudnederlands. In het West-Vlaams, waar een u voor een r een eu geworden is (b.v. zeur ‘zuur’, deuren ‘duren’), is de schuur een scheure. Schuur, Schuer is ook Nederduits. Oudhoogduits scûr betekende ‘afdak’, Middelnederduits schûr ‘beschutting, schuur’, IJslands skûrr ‘stalletje, kraampje’. Daarnaast Oudhoogduits skiura, scûra, Middelhoogduits schiur(e), schiuwer, Middelnederduits schüre. Het woord schuilt in Latijn obscurus ‘donker’ en bevat de Indogermaanse wortel *skeu- ‘bedekken’.

Toegevoegd op 18 December 2021 15:01: afbeelding
Bronnen:
https://www.dbnl.org/tekst/_nee003200401_0...

Het woord schuur is verwant an het woord schuilen. En ontleend aan het Latijn: scutum (schild), obscurus (bedekt, donker) en het Grieks: skulos (huid). In Nederland en Vlaanderen zijn zeker 50 dialectvarianten bekend voor het woord schuur. Onder andere: skuur, schot, schop, schob, schier, sjeur, boet, hok, stal, loods, brak. Bronnen: Van Dale; https://www.mijnwoordenboek.nl/dialect-vertaler.php?woord=schuur

Stel zelf een vraag

Ben je op zoek naar het antwoord op die ene vraag die je misschien al tijden achtervolgt?

/100